Gierzwaluwnestkast

Gierzwaluwnestkast

Nestkast voor gierzwaluwen met een nestkom in het beschutte linkergedeelte van de nestkast voor de gierzwaluw om het nest te bouwen.

 

 

De gierzwaluwnestkast is met niet-glanzende beits afgewerkt zodat de zwaluw niet wordt afgeschrikt. Het dak is afneembaar en uitgevoerdmet dakleer met leislag.

Aan beide zijden van de nestkast, aan de achterzijde, steekt de gierzwaluwkast wat uit om de kast op te kunnen hangen. Bijvoorbeeld onder een dakgoot of in een open schuur tegen het dak aan. Gierzwaluwen zoeken de nestgelegenheid graag onder dakranden. Een vrije aanvliegroute is belangrijk. Hang bij voorkeur meerdere gierzwaluwnestkasten bij elkaar want gierzwaluwen zijn koloniebroeders.

Nestkom gierzwaluwenkast

 

De gierzwaluw (Apus apus) is het enige lid van de familie der Apodidae dat in Nederland en België voorkomt.

De gierzwaluwen zijn zeer sterk op het leven in de lucht aangepast. Buiten de broedperiode houden ze zich voor meerdere maanden hoogstwaarschijnlijk zonder onderbreking in de lucht op.Bij hun vluchtmanoeuvres kunnen ze in duikvlucht snelheden van meer dan 200 kilometer per uur bereiken

De gierzwaluw behoort ondanks de naam niet tot de groep van echte zwaluwen (familie Hirundinidae), waartoe de boerenzwaluw, de huiszwaluw en de oeverzwaluw behoren. De gierzwaluw behoort niet alleen tot een andere familie (Apodidae) maar tot een andere orde van vogels genaamd gierzwaluwachtigen (Apodiformes). De vogel is in feite sterker verwant aan de kolibrie dan aan de echte zwaluwen die tot de orde van de zangvogels behoren.

Veldkenmerken

De totale lengte is ongeveer 16,5 centimeter, de spanwijdte ongeveer 45 cm en de vogel kan een gewicht bereiken van ca. 45 gram. Het verenkleed is roetzwart van kleur, de kin en keel zijn witachtig, maar dat is vaak niet waar te nemen. De lange, sikkelvormige vleugels hebben een blauwachtige glans. Juvenielen zijn bruiner en hebben minder glans. De gemiddelde levensduur bedraagt ongeveer 6 jaar, wat erg lang is voor een vogel van een dergelijke grootte.

Er is geen seksuele dimorfie: het mannetje en het vrouwtje zijn uiterlijk niet te onderscheiden. Sommige onderzoekers kunnen ♂ en ♀ onderscheiden op basis van de roep.

De gierzwaluw heeft in verhouding zeer lange sikkelvormige vleugels. De staart is relatief kort en gevorkt. De snavel is relatief klein en kan ver geopend worden, wat dient om beter insecten te kunnen vangen in vlucht.

In Nederland en België

De gierzwaluw is in Nederland en België een algemeen voorkomende broedvogel, met een duidelijke voorkeur voor oude stadswijken. Gierzwaluwen zijn maar drie maanden van het jaar in Nederland en België. Vandaar de naam “honderd-dagen-vogel”. Ze arriveren eind april, en massaal in begin mei en vertrekken weer begin augustus. Aprilwaarnemingen in Nederland worden vooral gedaan in Zuid- en West-Nederland.

Het vermoeden bestaat dat de stand van de gierzwaluw de laatste decennia is afgenomen, door sloop en renovatie van oude stadswijken, en door betere isolatie. Speciaal voor gierzwaluwen ontworpen nestkasten, dakpannen en gevelstenen kunnen hier wellicht soelaas bieden. Het aantal broedparen in Nederland werd in 1979 geschat op 50.000 – 85.000. Bij Breskens werden op 7 mei 1981 maar liefst 20.000 trekkende gierzwaluwen geteld. Omdat er in Scandinavië minstens enkele honderdduizenden gierzwaluwen broeden, passeren er gedurende de trek belangrijke aantallen Nederland en België.

In Vlaams-Brabant werd onder andere de gierzwaluw in 2009 tot ‘koesterbuur’ uitgekozen.

Voortplanting

De gierzwaluw broedt van de laatste helft van mei tot in juni. De broedduur bedraagt circa 18 – 20 dagen. Tussen het leggen van de eieren verlopen twee dagen. ♂ (Mannetje) en ♀ (vrouwtje) broeden beide en wisselen elkaar regelmatig af. Er wordt één broedsel per jaar grootgebracht. Beide vogels zorgen voor de jongen, die na 39 – 43 dagen uitvliegen.

Oorspronkelijk bestonden de broedplaatsen uit rotswanden (en wellicht ook oude bossen). Tegenwoordig wordt het nest gemaakt in donkere holten, onder daken of in anker- en stellinggaten van hoge gebouwen en torens, maar ook in lage huizen. Soms nog in boomholten (in Scandinavië). Over het algemeen broeden gierzwaluwen op plaatsen waar ze vrij in en uit kunnen vliegen. Daken met een paar kapotte dakpannen en muurspleten, nissen onder daklijsten, plaatsen onder en tussen de daklijsten, op zolders, in nestkasten et cetera.

Het nest is een slordig bouwsel van materiaal, dat in de vlucht is opgepikt: vrucht- en zaadpluis, draadjes, veertjes maar ook soms vlinders, waterjuffers en tegenwoordig zelfs papier en licht plastic verpakkingsmateriaal bijvoorbeeld voor snoepjes. Het wordt met speeksel aan elkaar gekleefd. Gierzwaluwen maken vaak gebruik van oude mussen- of spreeuwennesten, maar ze leggen hun eieren ook wel gewoon op de rommel die achter panlatten aanwezig is.

Het legsel bestaat meestal uit 2 eieren, soms 3, zelden 4. In koude zomers worden minder eieren gelegd. De eieren zijn langgerekt, dof wit en ongevlekt, de afmetingen zijn gemiddeld 25 x 16 mm. Gierzwaluwen zijn zeer standvast en komen gewoonlijk elk jaar op hetzelfde nest terug waar ze al eerder gebroed hebben. Niet broedende vogels overzomeren en enten zich op een bestaande kolonie.

 

(bron: Wikipedia)